Gedragseconomie

Goed sparen voor later is best lastig

Bij de gedachte dat het pensioen weleens zou kunnen tegenvallen, slaat veel mensen de schrik om het hart. Maar in ons unieke pensioensysteem sparen we eerder te veel dan te weining voor onze oude dag. En dat is zonde van het geld.

tekst: Marten van Garderen


Sparen voor later. Makkelijker gezegd dan gedaan. Want hoeveel moet je eigenlijk sparen? De theorie: mensen moeten precies genoeg sparen zodat ze ‘het nut over hun levenscyclus maximaliseren’. In de praktijk en in gewone-mensen-taal betekent dit dat mensen als ze aan het werk zijn vooral moeten sparen en na hun pensioen moeten ontsparen. Dit rationele idee is gebaseerd op het zogenaamde levenscyclusmodel van Modigliani en Brumberg en stamt uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Veel onderzoeken laten echter zien dat er een wereld van verschil zit tussen de uitkomsten van dit theoretische model en het werkelijke spaargedrag van mensen: als je ze vrij laat, sparen mensen minder voor hun pensioen dan optimaal voor hen zou zijn.


Te kleine pensioenspaarpot

Hoe komt het dat we uit onszelf te weinig sparen? Als belangrijke verklaringen voor een te kleine pensioenspaarpot worden verschillende gedragseconomische redenen genoemd: beperkte rationaliteit, uitstelgedrag, gebrek aan zelfbeheersing en verliesaversie.

- Beperkte rationaliteit zorgt ervoor dat mensen geen optimale keuzes kunnen maken. Veel mensen hebben weinig aandacht voor hun pensioen. Ze kunnen en willen maar beperkt moeite doen om het allemaal te begrijpen en beslissingen te nemen.

- Uitstelgedrag: mensen zijn intuïtief geneigd beslissingen ten aanzien van pensioen uit te stellen.
Ze hebben vaak een korte tijdshorizon, zijn gericht op de korte termijn en niet op plannen voor de lange termijn.

- Tegelijkertijd zorgt verlies-aversie ervoor dat we geneigd zijn ervoor te kiezen om nu meer te consumeren, in plaats van iets opzij te zetten als inkomen voor de oude dag.

Verder speelt geldillusie een belangrijke rol. Mensen denken als het om geld gaat vaak in absolute bedragen in plaats te kijken naar wat ze voor dat geld in de toekomst kunnen kopen. Ze kijken naar de waarde van hun besparingen in euro’s in plaats van naar de toekomstige koopkracht van die euro’s. Kortom, geef je mensen de volledige vrijheid om te sparen voor later, dan zullen ze vaak veel te weinig voor hun oude dag opzij-zetten.


Verplichte oplossing

Om de menselijke tekortkomingen om ‘juist’ te sparen het hoofd te bieden, hebben we in Nederland een mooie oplossing bedacht: een pensioenstelsel met een verplichte collectieve pensioenregeling. Dat legt ons geen windeieren. Het levert ons uiteindelijk een van de beste pensioenstelsels ter wereld op. Vergelijken we het Nederlandse stelsel met buitenlandse pensioenstelsels, dan blijkt bijvoorbeeld dat Nederland als een van de weinige landen een pensioenspaarpot heeft opgebouwd. Dit terwijl andere landen vaak het zogenaamde omslagstelsel hanteren en op die manier de rekening van de vergrijzing voor zich uit hebben geschoven. Daarnaast scoort Nederland ook hoog qua omvang en groei van het totale pensioenvermogen.


Pensioeninkomsten vaak boven de 70%

Toch kan zelfs een internationaal vrij uniek pensioensysteem als het onze altijd nog beter. Dat blijkt als we de inkomsten en uitgaven van gepensioneerden eens goed op een rij zetten. De hoogte van ons inkomen na pensionering kunnen we afzetten tegen het inkomen ervoor, dat is de zogenaamde vervangingsratio. Traditiegetrouw wordt 70 procent van het gemiddelde bruto inkomen als pensioennorm gezien. Dat komt neer op zo’n 85 procent van het netto inkomen. Uit berekeningen van pensioendenktank Netspar blijkt dat een doorsnee huishouden naar verwachting op een bruto vervangingspercentage van 77 procent uitkomt, netto – na belasting – zelfs op 92 procent. Een ruime meerderheid van de Nederlandse huishoudens heeft dus een vervangingspercentage van 70 procent of meer.


Maar er zijn verschillen...

Nemen we ook nog andere relevante bronnen – zoals vrije besparingen en vermogen in de eigen woning – mee in de berekening, dan wordt de financiële positie van gepensioneerden alleen maar florissanter. Dan stijgt het doorsnee bruto vervangingspercentage naar 83 procent en netto zelfs naar 101 procent. Natuurlijk zijn er verschillen tussen huishoudens. Zo haalt bijna de helft van de zelfstandigen de 70 procent niet. Een kwart van hen heeft zelfs helemaal geen pensioenvoorziening. Ook mensen die later op de arbeidsmarkt zijn ingestroomd, zoals bijvoorbeeld immigranten, missen een deel van hun pensioenopbouw en komen gemiddeld lager uit.


Toekomstige uitgaven beperkt

Leggen we de toekomstige uitgaven naast de toekomstige inkomsten, dan blijken die inkomsten in de praktijk voor de meesten meer dan voldoende. Ze hebben namelijk niet zo veel nodig na hun pensioen: de kinderen zijn het huis uit en staan financieel vaak al op eigen benen, werkgerelateerde uitgaven vervallen en de woonlasten zijn veel lager. Grote uitgaven – aan bijvoorbeeld reizen – zijn eerder incidenteel dan structureel. Zo blijkt een groot deel van de huishoudens dus te veel te sparen voor zijn pensioen.


Zonde van het geld

Te veel sparen is zonde van het geld. Twee keer zelfs, zowel voor als na pensionering. Ervoor moeten sommige gezinnen onnodig de eindjes aan elkaar knopen, omdat ze gedwongen worden te veel geld opzij te zetten. Erna omdat pensionado’s vaak niet weten aan welke verre reis ze hun geld nu weer moeten besteden. Bij deze onhandige verdeling van (spaar)geld tussen het heden en de toekomst is er sprake van zogenaamd welvaartsverlies.


Vooruitgang?

Mogelijk komt er binnenkort verbetering in deze situatie. De contouren van een nieuw pensioenakkoord worden zichtbaar. Dat akkoord zou ons pensioenstelsel nog een stukje mooier kunnen maken. Ons huidige pensioenstelsel behoort qua dekking en omvang weliswaar tot de internationale top, maar biedt in vergelijking met veel andere landen weinig ruimte voor flexibiliteit. Het is min of meer one size fits all. Meer keuzevrijheid kan een verbetering zijn. Meer keuzevrijheid bij het opbouwen van het pensioen en bij het opnemen. In de opbouwfase kan aan pensioenspaarders de gelegenheid worden geboden om hun premie-inleg (tijdelijk) aan te passen. Keuzevrijheid in de uitkeringsfase kan deelnemers bijvoorbeeld de mogelijkheid geven om te kiezen voor een uitkering van een groter bedrag ineens in plaats van de huidige levenslange pensioenuitkering. Beide opties leveren welvaartswinst op als de pensioenregeling hierdoor beter aansluit op de individuele voorkeuren van de deelnemer.


Grenzen aan keuzevrijheid

Natuurlijk kunnen de pen­sioen­keuzes niet helemaal vrij worden gelaten. In een nieuw systeem met meer keuzemogelijkheden moeten we er wel rekening mee houden dat mensen eerder geneigd zullen zijn de ‘verkeerde’ keuzes te maken. Grenzen aan de keuzevrijheid, zoals een minimale standaardinleg of een maximaal opnamebedrag in combinatie met het aanbieden van goede standaardopties kunnen mensen helpen om al te rigoureuze keuzes te voorkomen. Zo kan uiteindelijk de pensioenspaarder ondanks zijn of haar gedragseconomische zwakheden toch sparen voor een optimaler pensioen.